Terug

 

 

 

GEELGERANDE WATERKEVER

   

DITISCUS MARGINALIS

 DYTISCIDAE

 KENMERKEN:

 27-35 mm. Langgerekt ovaal lichaam. Halsschild en dekschilden afgezoomd met een overal even brede gele band. Ook de onderzijde van het lichaam is geelbruin. Geslachten totaal verschillend. Bij het mannetje zijn de drie eerste geleden van de voorpoten verbreed en onderaan bezet met een grote, een kleine en ongeveer 160 minuscule zuignappen, die als grijporgaan dienst doen tijdens de paring. Het oppervlak van de dekschilden is zwartgroen en glad, terwijl het wijfje groenbruin is en gegroefde dekschilden heeft.

 VERSPREIDING:

 Talrijkste en meest verspreide soort van het geslacht dytiscus: bijna in heel Europa. Voorkeur voor stilstaande waters met veel waterplanten.

 LEVENSWIJZE:

 Geelgerande water roofkevers kunnen heel goed zwemmen en vliegen. Bij het duiken regelen ze hun gewicht door water op te nemen in de endeldarm. Daar verzamelen ze ook verteringsresten, die bij gevaar in het water uitgescheiden worden. Bovendien produceert deze roofkever in een klier op de voorborst het hormoon cortexon, dat bijvoorbeeld bij vissen verlammend werkt. Door openingen in het laatste achterlijfsegment wordt via tracheeën lucht ingebracht in de luchtvoorraadkamers tussen rug en dekschilden.

De paartijd ligt vooral in de herfst maar ook in de lente. Het mannetje klemt zich dan met zijn zuignappen vast op de dekschilden van het vrouwtje. De zaadoverdracht gebeurt binnen de vijftien minuten. In de loop van de tien weken daaropvolgend zet het wijfje onder water tot 1000 eitjes af. Met haar legbuis prikt ze in levende planten, waarna ze de zowat 7mm grote eitjes afzonderlijk in het plantenweefsel afzet.

 

 

 

 Jeugdstadia:  Vroeg in de zomer komen de roofzuchtige larven uit. Hun poten en laatste achterlijfsegmenten zijn bedekt met zwemharen. Met hun tangachtige monddelen (mandibels) grijpen ze hun prooi: insekte larven, waterpissebedden, dikkopjes, en kleine visjes. Via een zeer klein kanaaltje in de mandibels spuiten ze een verlammende vloeistof in, die de prooi tegelijkertijd vloeibaar maakt. Voor verteerd kunnen ze hun prooi dan leegzuigen. Afhankelijk van de watertemperatuur ontwikkelen de larven zich in 4-12 weken tijd. In hun derde stadium zijn ze 60-80mm lang. Om zich te verpoppen komen ze aan land, waar ze een popwieg maken. Na ongeveer 2-4 weken komt de jonge kever uit de pop om te overwinteren.

  Terug